Proza

Lezende Jenka

Ze zit daar. Alweer. Met het zoveelste boek van dit jaar in de hand. Om de dertig minuten gaat er een timer af en dan staat ze even recht om de plant uit het waterbed te halen en een nieuwe er in te zetten. Verder lijkt ze onverstoorbaar.

Als een lid van haar gezin iets komt vragen, steekt ze het boek in de lucht. Meer is niet nodig. Deze handeling betekent, ik ben aan het lezen, laat me met rust. Arme kinderen, ze is altijd aan het lezen. Meestal drinkt ze limonade recht uit het blik. Veelal ligt er iets zoets te wachten op de kleine ronde tafel. Soms zit ze recht, soms laat ze de rugleuning van haar relax naar beneden zakken. Dan draait ze zich op haar rechterzij, op haar linkerzij, zelden blijft ze lang in dezelfde positie zitten. Nu en dan lacht haar man die naast haar zit, of maakt hij een geluid omdat hij iets interessant leest in zijn boek en het luidop wil vertellen. Ook dat negeert ze. Het interesseert haar slechts matig wat in zijn boek voorkomt. Dat zie ik aan haar gezichtsuitdrukking, die desinteresse.

Zodra een boek uit is, of zelfs zodra ze aan het laatste hoofdstuk begint, kiest ze een nieuw boek. In het rek tussen de twee zetels zitten de nog te lezen letters. Ik ben gevuld met de meeste bladzijden. Op de onderste plank de thrillers, op de bovenste plank literatuur. Ze wisselt het af, literatuur of roman versus thriller. Dan sluit ze haar ogen, wijst met twee vingers en kiest één van de twee die ze aanwijst.

Ik wacht al vier jaar. Ze wijst me zo nu en dan aan, in de sectie literatuur. Het dikste boek in de rij.

Mij kiest ze nooit.

Flash Fiction – Buiten

(Flash fiction is een handpalmverhaal, een korte fictionele tekst. Met deze tekst deed ik mee aan de wedstrijd van EACWP 2021 de winnende tekst vind je terug op hun website)

Een papegaai echoot door het open raam het geluid van een kleine vogel in de verte. Het is een monotoon, schel geluid. Misschien wil de papegaai zijn kooi ontvluchten en buiten vliegen, vrij zijn. Wellicht is de kleine vogel het buiten huis zijn beu en wil hij schuilen in de kooi.

Het gekwetter blijft doorgaan, een aaneenschakeling van hetzelfde kabaal. De grijze roodstaart papegaai draait zijn hoofd in zijn nek. Sluit zijn ogen. Slaapt. Laat het buitenzijn aan zich voorbijgaan.

Zijn vleugels doen het toch al lang niet meer.

**********

Open brief aan Herman Teirlinck – Schrijven in tijden van Corona (2020) – publicatie op website

Beste heer Teirlinck,

Lieve Herman,

Weledele heer Teirlinck,

Is er nog altijd een onbeschreven wet die zegt dat je ouderen of hoger geplaatste lieden respectvol moet aanspreken of mag ik u tutoyeren? 

Tot voor kort dacht ik dat ik talentloos was, ik blijf aan deze gedachte houden, alleen heb ik de liefde voor schrijven (her)ontdekt. Talent heeft mijn man, die met een paar potloodstrepen prachtige tekeningen maakt terwijl ik amper een kat kan tekenen. Wat me doet denken aan onze kattin, Penny. Eén jaar oud, maar nu al de zwarte schrik in onze buurt. Hoe vaak wandelt ze mijn venster voorbij, haar staart triomfantelijk heen en weer wiegend, met een piepende huismus in haar bek. De buren probeerden tevergeefs één arme vogel te redden, het dier had waarschijnlijk minder geleden hadden we het onmiddellijk de nek gekraakt. Eén dag nodeloos lijden en piepen was het resultaat van hun zorg, waarna de huismus zijn laatste adem uitblies. Survival of de fittest, of hoe ook in deze tijden de sterken overleven. Een ezelsbruggetje zoals mijn lerares Nederlands het mij ooit aanleerde gaat door mijn onverwachte mijmeringen, onmiddellijk, twee doden, twee lijken. Vertel het nooit verder, voegde ze er met schaamte aan toe.

Penny heeft intussen een nieuw slachtoffer gevonden. De grote kip van de buren. Vooralsnog is het onduidelijk of ze de kip met haar helder groene ogen kan hypnotiseren en vangen. Ze komt hier zo nu en dan eveneens voorbij het venster, de kip, op zoek naar onze moestuin. 

Buiten, aan de wasdraad, hangen onze mondmaskers te drogen. Het is zomer, doch het kan evengoed herfst zijn. De gierende wind doet de bomen met hun hoofd schudden om overtollige haren kwijt te raken. De bries strijkt de valse plooien uit de mondmaskers. Ze zijn wit, de onze. Om niet op te vallen tussen de kudde mensen met hun kleurrijke exemplaren voor neus en mond gebonden. Sommigen maken een statement, anderen nemen dat patroon omdat ze het graag zien. 

Of vallen we net niet meer op door gewoon te willen zijn? 

Er is te veel tijd. Te veel tijd om na te denken. Om na te denken over gebeurtenissen waar je liever niet aan wordt herinnerd. De nietigheid van ons leven. Het saaie beleven van elke dag. Het herhalen van bezigheden de klok rond. Dag na dag elkaars minieme zucht horen. De kleinste verandering in de gezichtsuitdrukking waarnemen. 

Zal het ooit worden als voorheen? 

Het is mijn huis, mijn dorp, mijn land. Dat alles, mijn veilige haven. 

Nu voel ik me als Heroïx in de stripreeks van Asterix. 

Bang dat de hemel op mijn hoofd zal vallen. 

We kennen elkaar intussen lang genoeg om te tutoyeren. Laten we wel zijn, lieve Herman, het leven gaat verder, daar, achter ieders vensters. Met of zonder ons. 

Dat zal mn tijd wel duren! 

**********

Tekst wedstrijd proza Faculteit Letteren – KULAK (2020)

Eerste prijs proza – opdracht: als ik niet aan jou denk, dan voel ik niks

Als ik niet denk aan jou, dan voel ik niks.

Ik kijk naar een zwarte stip in de verte op het gekleurde behang dat een oude man ooit aan de muur plakte vlak voor hij met pensioen zou gaan. Er is geen zwarte stip. Maar als ik niet denk aan jou, dan voel ik niks. Dan zie ik niks. Geen kleurenpracht aan de muur. Niet triestig. Geen enkele gedachte die door mijn hoofd gaat.

Je stierf. Je murmelde iets vlak voordat het gebeurde. Ik begreep je gemompel niet. Uit je gelaatsuitdrukking en manier van doen dacht ik te begrijpen wat je wilde. Ik sloeg mijn armen om je heen en hielp je rechtkomen uit je stoel. Legde je op het bed. Je keek me aan met die grote mooie ogen van jou. Slaakte een diepe zucht. Bleef stil liggen. Je huid witter met de minuut. Je mond open, in een kreet gevangen.

Ik legde een deken over je heen. Wilde niet dat je koud kreeg. Je grote, donkere ogen bleven me aankijken tot uiteindelijk de begrafenisondernemer ze sloot en je handen over elkaar op je borst legde. Alsof je al neerliggend aan het bidden was. Waarvoor was je aan het bidden? Een mooie plaats in het hiernamaals? Een eeuwig ronddwalen over aarde om je geliefden te volgen in hun toekomstige bezigheden?

Hij nam je mee. Draaide je in een witte, harde doek. Verstopte je er helemaal in. Alleen een sneeuwwitte, harde doek die met een plof op de koude inoxtafel op wielen werd gelegd. Hij duwde de tafel in zijn auto. Geen typische zwarte lijkwagen waar mensen van slag waren als ze hem zagen voorbijrijden in de straat, de gedachte dat iedereen ooit in die wagen terechtkomt. Enige zekerheid in het leven. Je wordt geboren. Je sterft. Het is wat je ertussen doet dat telt.

Geen zwarte lijkwagen. Een hippe, coole, moderne Mercedes Vito, laatste nieuwe model. Zwart, dat dan weer wel.

’s Avonds kwam ik je bezoeken. In die koude kamer. Omgeven door bloemen, geschonken door de begrafenisondernemer, aangerekend op de zware factuur die enkele dagen later in mijn mailbox terechtkwam. De aarde boven je urne was dan nog niet eens gehard.

Bloemen. Een harde tafel verstopt onder een stijf gesteven, wit laken met kant onderaan. Je handen blijvend in die biddende houding. Was je daar, of was je al vertrokken naar betere oorden?

Een gedachtenboek op een sokkel waar dichte familieleden, beste vrienden, verre vrienden en vijanden voor het leven – je was tenslotte dood – een aardig woordje in schreven. Met grote schrijffouten, onleesbaar handschrift, kalligrafie of prachtig gekrulde letters. Cliché wensen waar geen enkele dode uiteindelijk iets aan heeft.

Zes dagen lang kon ik genieten van deze kille kamer en je stijve, dode lichaam met de biddende handen. Je was veel te jong om te sterven. Mensen die veel te jong sterven worden begraven op een zaterdag. Zodat iedereen de kans krijgt om je de laatste keer te begroeten.

Voor ze je in je veel te dure kist legden, die enkele uren later in de verbrandingsoven terechtkwam, nam ik voor de laatste keer live afscheid. Naderhand bleef enkel je foto op je gedenkteken over.

Je biddende handen waren blauw. Je huid rond je mooie lippen die ik zo vaak had gekust, was blauw. Te zwaar opgemaakt. Jij droeg geen make-up in het echte leven. Zes dagen afscheid nemen was lang. Het was met een zwaar gemoed dat ik aan mezelf moest toegeven dat het tijd was. Tijd om voorgoed afscheid te nemen. Een laatste keer je koude handen aanraken. Wenen, maar niet te veel. Wenen, maar niet te weinig. Gevoelens tonen, maar niet te veel. Gevoelens tonen, maar niet te weinig.

Ik wachtte in de kerk op jou. Tientallen jaren geleden waren we er samen. In goede en kwade dagen, tot de dood ons scheidt. Ik wachtte. Op de begrafenisondernemer en zijn stoet volgelingen die de kist naar binnen rolden. Mooie bloemen op de kist. Een kruisje. Een prachtige foto van jou, levendig, mooi gekapt met je beste kleren aan. Kleren die je in de kist meenam.

Vrienden. Familie. Kennissen. Kaartjesjagers. Over de doden niets dan goed. Teksten met lovende woorden. Teksten met informatie die mensen al vergeten waren of nooit hadden geweten. Lucifers om de gedenkkaars aan te steken. Strooiblaadjes van witte bloemen om op de kist te gooien.

Jij stond daar in het midden. Centrum van de belangstelling. Het was jouw dag. Voor de allerlaatste keer. Nutteloze preken, verkeerd uitgesproken namen, hosties op de verkeerde hand, gedenkkaartje met persoonlijke tekst.

In een cirkel rond je kist. Je veel te dure, eiken kist in lichtgrijs hout. De stoet volgde je naar de poorten op weg naar het einde. Honderden handen schudde ik die dag. Honderden veel sterktes. Tientallen knuffels. Duizenden natte tranen over wangen van bekenden en onbekenden. Duizenden natte tranen over mijn wangen. Een kraan die bleef druppelen.

Je mooie, veel te dure kist verdween in de lijkwagen, een echte deze keer, glimmend zwart. Net opgepoetst. Klaar voor de rit naar de verbrandingsoven.

Een jong lichaam dat verdween in een oven van meer dan 800°. Voor de zekerheid. Dat alles verbrand is. Lichaamsassen vermengd met as van hout. Net genoeg om een urne te vullen. Een veel te dure urne die verdween in de koude grond om nooit meer door mij te worden aanschouwd. In een kleur waarvan ik dacht dat jij die graag zag. Een laatste groet op het kerkhof. Een laatste keer mijn handen op iets leggen wat enigszins nog “jij” was. Koude wind, miezerregen, een hand op de warme urne. Je laatste warmte.

Met een ingewikkelde constructie daalden ze je urne in de grond. Legden de aarde er weer op met een schop. Maakten de aarde glad. Te koud om een marmeren zuil op te zetten.

Ik ging naar huis. Staarde naar de kleurige muur. Sliep alleen in ons grote bed waar je warmte en geur me wakker hielden. At alleen mijn ontbijt. Hoorde goedbedoelde tips aan. Me niet op te sluiten. Verder te leven. De draad weer oppikken.

Als ik niet aan jou denk, dan voel ik niks. Ik wil je voelen.

Ik stierf.  Vlak ervoor vroeg ik je om me te helpen. Om me op het bed te leggen. Zoals steeds wist je exact wat ik wilde zeggen. Ik hoorde mijn eigen stem maar begreep zelf de woorden niet.

Je legde me neer. Ik slaakte mijn laatste zucht. Ademde nog één keer diep in en liet het los. Alles. Het leven. Jou. Mijn pijn. Je legde een deken over me heen. Zo voelde ik me minder naakt. Ik wou dat ik je daarvoor kon bedanken.

 Ik maakte alles mee. De koude tafel. De moderne Vito. Ik kreeg geen spiegel voor mij maar ik wist gewoon dat er te veel schmink was. Een clown die zijn laatste optreden geeft. De laatste keer op de bühne. Wat was ik blij dat je aan mijn mooiste kleren dacht. De tijd had mij ingehaald. Ik had zelf niets klaargelegd. Je zocht mijn mooiste foto op. Vond er niet onmiddellijk één. Scrolde door mijn facebook. Mijn Instagram. Vond er uiteindelijk één diep weggestoken in de lade in onze woonkamer. In de antieke kast uit de jaren ’70. Niet antiek. Retro.

 Het was koud. Alleen in die kamer. Wachtend tot iemand mij bezocht. Een stoet van mensen. Mensen die ik niet eens herkende. Want ik was jong. Jonge mensen krijgen veel bezoek. Ze waren niet altijd even zacht met mij, die van het funerarium. ’s Avonds, na het bezoekuur, als ze mij naar de koude frigo brachten, de lichten uitdeden en de deuren toe. Ik was bang daar. Claustrofobisch. ’s Ochtends was ik blij dat ik weer als een paspop in de kijker stond. Jij vond het koud in mijn mausoleum. Dat zag ik aan het kippenvel op je armen. Aan de tranen op je wangen die als het ware bevroren leken. Ik vond het overdag leuker. Een mooie, grote kamer voor mij alleen. Omringd door bloemen en kransen. Van vrienden, vrienden van vrienden, collega’s en collega’s van familieleden. Met bloemen in kleuren waar ik van hield. Eenvoudige bloemstukken. Sierlijke, protserige bloemstukken. Alles samen veel te veel om op mijn laatste rustplaats te leggen.

 In de kerk zat jij langs voor. Op de eerste rij. Ik genoot van de lieflijke teksten, de mooie muziek en de zachte zijden omhulsels in de kist. Ik voelde handen op mijn kist tikken. Bloemblaadjes vielen als zachte regen neer. Ik huilde met je mee bij de vele knuffels en de duizenden tranen die over de wangen van honderden mensen vielen. Ik riep naar jou vanuit mijn kist op het moment dat ze me voor de laatste keer in in de lijkwagen duwden. Ik was toch nog niet klaar om afscheid te nemen. Ik wilde je warmte voelen in bed. Je geur in gebruikte handdoeken opsnuiven. Iedereen keek me na. Niemand verroerde zich. Niemand redde mij. Ik voelde de lijkwagen wegrijden. Over hobbelige wegen en drukke banen. Ik hoorde muziek en de bestuurder en passagier zingen. Het zijn ook maar mensen. De dood stompt je af.

Ik voelde de hitte van de oven door mijn houten kist heen. Ik nam afscheid. Van mezelf. Van jou. Van de wereld. Geen lichaam meer. Enkel mijn as, vermengd met dat van hout.

 Vlak voor ik as werd steeg mijn ziel uit mijn lichaam. Ik zag jou op het kerkhof. De verwondering op je gezicht over de warmte die mijn urn uitstraalde. De warmte die ik naar jou straalde. Nogmaals tranen bij het korte laatste afscheid door de begrafenisondernemer. Nogmaals tranen bij het afdalen van mijn urne geholpen door een ingenieus systeem. Ik zag de natte, harde aarde op mijn urne vallen. Zag de in zwarte schoenen gehulde voeten de aarde plattrappen.

Zag jou vertrekken, naar huis. Waar de haard brandde. De koffiekoppen nog vuil in de gootsteen. Lege papiertjes van suikerklonten op de tafel. Vuile voetstappen in de gang vlak voor het tapijt. Mijn bed beneden. Waar ik in gestorven was. Een eenzame herinnering aan de laatste maanden.

Kleren die jaren later door vreemde mensen werden gedragen. Mijn lievelingskoeken die langzaam buiten datum raakten en uiteindelijk in de vuilzak terechtkwamen. Mijn kant van het bed dat jaren later door jou zou worden beslapen terwijl een vreemde jouw kant innam. Mijn naam die vele jaren later nog werd gefluisterd, tot de volgende generatie waarin ik slechts een schimp uit het verleden werd. Een ongekend familielid.

 Je voelde het die dag. De laatste keer mijn hand op je schouder. Je draaide je om. Zocht naar mij. Vond me. Afscheid.

 Blijf denken aan mij. Dan voel je iets.

%d bloggers liken dit: